Korte verhalen

De koning en het meisje (I)

De koning zucht. Verveeld kijkt hij van zijn troon naar de bedrijvigheid in de zaal. Een delegatie zakenmensen uit verschillende delen van het land is druk in gesprek. Uit de groep maakt zich een elegante gestalte los en loopt heupwiegend naar hem toe. Gedachteloos reikt hij haar de scepter toe: ‘Wil je me iets zeggen koningin?’ Hij verbergt een gaap door over zijn gezicht te wrijven.

‘Mijn hooggeachte koning, als het u behaagt zou ik een verzoek willen indienen.’ Ze buigt nederig haar hoofd, maar hij ziet de trotse blik in haar ogen en de ontevreden trek om haar mond. In gedachten ziet hij het gezicht van een andere vrouw, een meisje nog. Háár blik is oprecht en als ze glimlacht schijnt de zon. Hij dwingt zichzelf bij de les te blijven en maakt een gebaar met zijn hand: ‘Spreek.’ ‘Ik zie dat de koning vermoeid is. Met uw welnemen zal ik de besprekingen over de convenanten samen met uw wijze raadgever voor u voeren.’ Hij kijkt opzij naar zijn raadgever. Als altijd is het gezicht van zijn dienaar onbewogen. Als de koning zijn blik weer op de koningin richt, ziet hij nog net een glimp van de sluwe glimlach die zij zijn raadgever toewerpt.

Een loden vermoeidheid overvalt hem. Zij ook al? Wat zijn zij van plan? Hij is het gekonkel aan het hof zo zat. Een paleis vol mensen waarvan hij het merendeel niet vertrouwt. Een harem vol vrouwen die hem cadeau zijn gedaan door verbondspartners. De vrouwen draaien en lonken naar hem en zeggen dat ze van hem houden, maar hij ziet in hun ogen geen liefde. Hij staart naar de deuren van de zaal. Daar, achter de deuren, achter de paleistuinen weet hij haar… Verlangen welt in zijn hart op. Zal hij?

Resoluut staat hij op. ‘Uitstekend idee, jullie vormen een sterk koppel en zijn capabel om de juiste beslissingen te nemen. Ik geef jullie mijn volmacht. Ik ga de stand van zaken opnemen in het buitenverblijf, het is al veel te lang geleden dat ik daar geweest ben.’ ‘Maar heer, eergisteren was u er nog.’ ‘Precies wat ik zeg,’ snoert de koning zijn raadsheer de mond.

Hij voelt hoe zijn energie terugkeert als hij de delegatie toeknikt en de zaal uitloopt. Hij loopt naar de stallen, zadelt zijn paard en galoppeert de velden in. Als hij de bossen van zijn buitenverblijf bereikt, vermindert hij vaart en bij een beekje, diep in het bos, stapt hij af. Hij trekt zijn mantel uit, ontdoet zich van alle opsmuk zoals zijn ringen en maakt zijn haar door de war. Zou ze komen vandaag? Het is nog vroeg. De koning, die zonder uiterlijk vertoon opeens een jonge man is geworden, haalt uit zijn zadeltas een stuk perkament, een potje inkt en een ganzenveer en gaat languit op het gras liggen schrijven. Af en toe sluit hij zijn ogen en glimlacht, dan krabbelt hij weer iets op het perkament.

Na een uurtje hinnikt plotseling zijn paard. De koning staat op en houdt zijn adem in. Een zacht gezang klinkt tussen de bomen. Dan stopt het zingen en klinkt een kreet: ‘Je bent er! Het is je gelukt om te komen.’

Een ranke gestalte snelt op hem af en valt hem om de hals. ‘Liefste, ik heb je zo gemist.’ Hij houdt het meisje een stukje van zich af en kijkt in haar ogen. Hij ziet pure blijdschap en liefde, en hij voelt hoe zijn hart zich laaft aan deze onbevangen overgave. Lachend maakt ze zich los uit zijn omhelzing: ‘Ik hoopte zo dat je zou komen, kijk, ik heb dadels en granaatappels meegenomen. Ze zijn een beetje beurs, de mooiste moeten natuurlijk naar het paleis, die zijn voor de koning. Maar deze lagen in de boomgaard op de grond.’

‘Kom zitten mijn lief. Ik heb een gedicht voor je geschreven.’ Het meisje kijkt hem blozend aan. ‘Voor mij?’ Hij gaat tegenover haar zitten, streelt over haar wang en leest dan voor:

Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!

Je heupen draaien sierlijk rond, de schepping van een kunstenaar

Je navel is een rode kom, die gevuld is met kruidige wijn.

Je buik een bergje tarwe, dat door lelies wordt omzoomd.

Je borsten zijn als kalfjes, als de tweeling van een gazelle.

Je hals is als een toren van ivoor,

Je ogen als de vijvers van Chesbon, bij de poort van Bat-Rabbim.

Je neus is als een toren van de Libanon…’

Haar schaterende lach verstoort zijn verheven voorlezen: ‘Mijn hals én mijn neus als een toren, méén je dat nou?’ Ze stompt hem op zijn arm en knelt dan haar armen om zijn nek. ‘Hoe hoog is die toren van de Libanon? Ik ben er nog nooit geweest, jij wel? Dat kan toch niet, als knecht heb je toch geen geld om te reizen. Toch..?’ Ze kijkt hem wat bevreemd aan. ‘Vertel dan eens over die reis. Hoe kan het dat je zoveel weet van al die plaatsen?

Haar lach is verdwenen. Ze is klein als ze zo naar hem opkijkt. Klein en kwetsbaar.

‘Waar kom je vandaan? Wat doe je? Wie ben je?’ Haar hele wezen straalt onzekerheid uit: ‘Of moet ik zeggen: Wie bent u?

Deel 1 van het verhaal over de koning en een slavin. Gebaseerd op het boek Hooglied uit de Bijbel.

Geschreven naar aanleiding van de vrouwenconferentie Lunteren, najaar 2019, met als thema Jahweh.

Mozes heeft een ontmoeting met God in Exodus 3. God geeft hem de opdracht om het volk Israel te bevrijden uit slavernij. Maar Mozes denkt dat het volk God niet meer kent. ‘Wie bent u?’ vraagt hij aan het begin van het gesprek. ‘Ik ben die ik ben,’ geeft God als antwoord. ‘De eeuwige, altijd aanwezige God, die bij jou zal zijn.’

Wil je verder lezen? Klik dan door naar deel II

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *