Korte verhalen

Licht en donker

Het is koud en donker. De wind waait hard. Ik huiver, het is echt koud. Ik heb alleen maar een hemd en een broek aan.

Waar ben ik? Wat doe ik hier? Hoe kom ik hier?

Ik zit op mijn knieën in de plakkerige, natte modder. In de verste verte kan ik niets onderscheiden. Geen huis, geen boom, geen gebouw, er zijn geen sterren, geen maan, helemaal niets. Alleen een koude, donkere, vieze vlakte. Er is niemand bij me, mijn ouders niet, broertjes of mijn vrienden.

Ik hoor niets, of toch wel? Een geronk, gebulder heel in de verte. Is het de wind? Een vliegtuig? Angst trekt door me heen. Het gebulder komt dichterbij. Onmiskenbaar.

Ik sta op om te kijken. Een donkere vlek aan de horizon breidt zich uit en raast mijn kant op. Wat is het toch? Het lijken vliegtuigen, daar doet het geluid me aan denken, maar het is een grote kolkende massa. Het lijkt wel of er zwarte golven water aan komen stromen, maar dan in de lucht.

Hoe kom ik hier? Hoe kom ik weer weg? Waar kan ik naar toe? Ik voel de angst op me vallen en val op de grond, mijn knieën voelen opeens als rubber. Ik wil wegkruipen maar kan het niet. Droom ik? Het voelt zo echt. De kou, natte knieën, modder op mijn handen.

Zwarte golven spoelen over me heen. Ik hoor iemand schreeuwen maar realiseer me dan dat ik het zelf ben. Ik voel een heftige aandrang om te plassen, het zweet breekt me aan alle kanten uit.

Ik rol me op.

Het gebulder wordt minder, de golven trekken omhoog. Is het voorbij? Ik kijk omhoog en zie dat de duisternis oplost doordat de zon doorbreekt. Warme stralen glijden over me heen. Plotseling is het stil. Ik blijf liggen, sluit mijn ogen en laat de warmte me omhullen.

‘Lieve Daniël, sta eens op en laat me je eens bekijken. Je hoeft niet bang te zijn. Ik ben bij je.’ Ik zie een man staan. Waar komt hij opeens vandaan? Is het wel een man? Hij ziet er vreemd uit, beetje als een tovenaar en toch ook weer niet. Hij lijkt jonger, echter, normaler. Ik weet het niet. Ik ken hem wel. Hij voelt vertrouwd, maar ik weet niet wie hij is. Wat wil hij? Hoe weet hij mijn naam? Hij ziet er warm uit. Ik wil hem aanraken, mij warm en veilig voelen. Zijn hand trekt me omhoog en zet me op mijn benen. Die zijn weer stevig. De angst is weg, warmte trekt door me heen en plotseling wil ik lachen en huilen tegelijkertijd.

Als hij naar me glimlacht duizelt het in me. Machteloos val ik achterover maar ik ben niet bang meer. Ontspannen glij ik een diepte in.

‘Wees niet bang lieve Daniël, ik ben bij je. Ook al is het donker en moeilijk de komende tijd. Vergeet mij niet, vertrouw op mij!’ De stem klinkt steeds verder weg.

Met een schok val ik in iets zachts. Ik lig in bed in mijn kamer! Mijn broek ligt op een hoopje op de grond. Precies waar ik hem gisterenavond heb uitgetrokken.

Met een zucht laat ik me in mijn kussen terugzakken. Het was toch een droom. Angstig en fijn tegelijk. Die persoon, wie was dat? Hij kende mij, hij noemde mijn naam. Ik voel nog zijn warmte en kracht. Ik sluit mijn ogen. Om opnieuw te beleven? Om verder te slapen? Om alles te vergeten? Ik weet het niet.

‘Daniel, kom je je bed uit en ontbijten? Je vader en ik moeten je iets vertellen.’ Mijn moeder roept me vanaf de gang. Ik brom naar haar dat ik er zo aankom. Ik voel me niet echt uitgeslapen. Toch stap ik uit bed en pak mijn broek.

Mijn adem stokt in mijn keel. Mijn handen zien zwart en de broek voelt nat en toont twee zwarte knieën. Dus toch! Het was wel echt! Was die duisternis dus ook echt? Die kolkende zwarte massa? Was die persoon echt? Wat bedoelde hij met ‘dat ik niet bang hoef te zijn voor de komende tijd’? Dat hij bij me zou zijn?

De gedachten in mijn hoofd tollen. Snel trek ik een schone broek aan en was mijn handen. Ik zie het wel, het zal allemaal wel loslopen. Voor ik naar beneden loop, kijk ik op de kalender. Niets bijzonders vandaag.

Het is 10 mei 1940.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *