‘Wil jij me helpen?’

 

Twee donkere ogen kijken me aan door het kiertje van het opgeschoven autoraampje. Verder durf ik het raam niet open te doen. Tranen druppen op de wangen van de man, hij veegt ze met een vermoeid gebaar weg.

 

Het is donderdagavond iets na twaalven. Mijn dochter Rosa appte dat de laatste klanten het restaurant hebben verlaten. Nog even stofzuigen en dweilen, daarna de kassa nog tellen en afsluiten. Dan kon ze opgehaald worden. Ik rij in de richting van de plek waar ik haar altijd afhaal als het voor haar te laat is om alleen met de bus terug te gaan. Terwijl ik de straat indraai, zie ik een man op de plek staan waar ik de auto neer wil zetten. Als hij mij ziet, licht zijn gezicht op en begint hij te wenken en naar me te zwaaien.

Langzaam draai ik de auto om hem op de plek te zetten en rij daarmee op de man af. Ik laat het raampje een stukje zakken en direct stort de man zijn hart uit.

‘Ik ben Ali, ik kom uit Sudan en ik ben al zes jaar in Nederland.’

Hij heeft wel een accent maar spreekt verrassend goed Nederlands.

‘Al zes jaar ben ik aan het procederen maar morgen word ik uitgezet. Ik word opgehaald door de politie en naar het detentiecentrum in Schiphol gebracht. Dan word ik daarna op een vlucht naar Sudan gezet. Maar ik wil echt niet.’

 

Zijn stem stokt, hij haalt diep adem en gaat verder met zijn verhaal: ‘Mijn dochtertje is in Duitsland door een vrouw geadopteerd en nu zegt die vrouw dat ik naar haar toe mag komen. Maar ik weet niet hoe ik dat moet betalen. En ik zat net daar bij het water (hij maakt een armbeweging richting het meer een straat verderop) en vroeg aan God wat ik moest doen en toen zei Hij dat ik rustig kon worden, dat ik hier kon wachten omdat iemand zou komen om te helpen.’

 

Oké, hij denkt dus dat ik dat ben. Toevallig dat hij exact op de plek staat waar ik met Rosa heb afgesproken.

 

‘Wat moet ik dan voor je doen?’

Wil hij geld? Wil hij ergens naar toe gebracht worden?

‘Ik heb geld nodig, ik heb helemaal niets meer. De bustickets kosten achtenvijftig euro. Naar Sloterdijk gaat een bus om twee uur en vanaf daar rijdt om vier uur een bus naar Duitsland.’

Hij zwijgt en kijkt me smekend aan.

 

‘Wil jij me helpen?’

 

Wat een gewetensvraag!

Natuurlijk wil ik deze man helpen. Maar is het waar wat hij zegt? Word ik hier in de maling genomen? Hij lijkt behoorlijk oprecht, ruikt niet naar alcohol en ziet er netjes verzorgd uit. Is het echt waar dat God hem iemand beloofde en dat ik dat ben? Wordt er op mijn gevoel ingespeeld? Wat wil God dat ik doe?

Ondertussen komt Rosa aanlopen. ‘Wat is er aan de hand? Wie is die man? Wat wil hij?’ Ze ploft op de stoel naast me en kijkt nieuwsgierig langs me heen naar de man. In twee zinnen leg ik het haar uit. Ze kijkt me grijnzend aan. ‘Wat ga je doen?’

 

Ik draai naar de man en zeg: ‘Ik ga even mijn man bellen om te vragen wat ik moet doen. Ogenblikje hoor!’

De stem van Mark klinkt al slaperig, hij is al naar bed gegaan. ‘Hmm.. wat je moet doen? Dat moet jijzelf inschatten. En dat die man iets van God gehoord heeft, is geweldig, maar heeft God ook tegen jou iets gezegd?’

‘Nou nee, niet dat ik heb gemerkt.’

‘Voel je vrij Mira, ik vind het prima als je wilt helpen, maar ook als je nu weg wil rijden.’

 

Wat moet ik doen? Wat ga ik doen? Wat is wijsheid en wat wil God dat ik doe?

 

 

Wat zou jij hebben gedaan? Wil je weten wat Mira deed? Lees verder in deel twee.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *