Blog

Wat moet ik doen? -2-

Het is donderdagavond na twaalven. Ik sta te wachten op mijn dochter Rosa die opgehaald moet worden. Een man heeft mij aangesproken en om hulp gevraagd. Ik ben in tweestrijd. Zal ik hem helpen of niet?

 

 

Wat moet ik doen? Wat ga ik doen? Wat is wijsheid en wat wil God dat ik doe?

 

Ik kijk opzij naar Rosa. Ze ziet er moe uit. Het is ook al erg laat, ondertussen al bijna half een. Ik onderdruk een geeuw, mijn ogen prikken, het liefst doe ik ze dicht en ga ik slapen.

Dan neem ik het besluit: ik ga Ali uit Sudan helpen. Als ik nu naar huis rij, laat het me toch niet meer los en heb ik spijt.

‘Luister Ali, ik wil jou helpen. Jij zegt dat God tegen jou heeft gezegd dat iemand zou komen om je te helpen. Ik ben christen, doe graag wat God wil. Ik heb niet direct gehoord van God dat ik je moet helpen, maar heb ook niet het idee dat ik het niet moet doen. Als je me belazert, is het tussen jou en God.. Oké?’

Ali knikt driftig. ‘Ik beloof je, ik zweer je dat het echt is. Je geeft mij vertrouwen. Ik zie dat God dit is.’

Zijn ogen lopen weer vol.

 

‘Kom, dan lopen we naar de pin-automaat. Rosa, blijf jij even hier?’ Ik doe de auto op slot, tenslotte is het wel middenin de nacht, middenin de stad. Niet de prettigste plek op dit tijdstip.. ‘Ali, voor ik je het geld geef wil ik voor je bidden. Is dat goed?’

Ali vindt het prima.

 

Voor de pinautomaat aarzel ik. Hoeveel ga ik hem geven? Alleen voor het treinkaartje? Of ook iets om te eten? Als het waar is, zit hij morgen de hele dag in de bus. Ik besluit om royaal te zijn en pin extra geld.

 

Als ik naar Ali toeloop, pakt hij mijn handen beet: ‘Bid voor me!’

Terwijl ik een gebed uitspreek, God vraag om bescherming en een goede reis, Jezus Christus vraag om Zijn aanwezigheid en Zijn liefde in het leven van Ali, breekt hij volledig.

Tranen stromen over zijn wangen.

 

Even dringt het tot me door hoe het is om in een koude, tochtige winkelstraat van Almere te staan als je uit Sudan komt. In de nacht, in de kou, alleen en verlaten. Te moeten bedelen, je vast te klampen aan iedere strohalm die je geboden wordt. Onzeker en verstoten.

 

Ik omhels Ali en geef hem het geld. ‘Ik hoop echt dat je een goede reis hebt en dat het goed voor je uitpakt in Duitsland!’

 

‘Dank je wel, dank je wel. Het gaat nu niet eens om geld, maar om dat je me ziet. Om vertrouwen. Ik wil jou laten weten dat het goed gaat, ik wil je e-mailen.’

‘Dat kan, hier heb je mijn kaartje. Laat maar iets van je horen. Dat zou ik echt fijn vinden.’

Bij de auto tikt hij op het raampje. Rosa doet de deur open.

‘Zorg goed voor jezelf, wees voorzichtig, zul je goed voor jezelf zorgen?’

Rosa knikt wat verlegen.

 

Twintig minuten later zijn we thuis en zit ik op de bank. De gedachten tollen door mijn hoofd. Ik schenk een glaasje wijn in en kijk de kamer rond. Alleen de lichtjes in de kerstboom zijn nog aan, het is behaaglijk warm, ik voel me veilig en gelukkig.

‘Heer zegen Ali, het maakt me niet eens meer iets uit of hij me bedot heeft of niet. U kent hem, U gaat met hem mee, U reikt uw hand uit naar hem. Dank U wel dat U zo trouw bent.’

 

Zal ik ooit iets van Ali horen?

 

4 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *