Korte verhalen

De tweeling

In de buik van een moeder groeit een tweeling. Een jongen en een meisje. Het jongetje popelt om geboren te worden, hij vindt het maar krap in de baarmoeder. Wat hem precies te wachten staat weet hij niet, maar hij ziet ernaar uit. Het meisje voelt zich veilig en geborgen in de moederschoot en gelooft niet dat er meer is. Van haar mag het leven blijven zoals het is.

Het licht gaat aan. Een van de twee baby’s richt het gezichtje naar het licht. Ze voelt dat ze heen en weer bewegen. ‘Dit vind ik altijd zo fijn’, zegt ze. Haar fijne handjes grijpen schijnbaar doelloos door het water. Ze duwt een knie tegen de rand van haar wereld om zich naar het licht te draaien. Haar tweelingbroertje komt ook in beweging, hij kan niet veel doen, het is zo krap. ‘Schuif eens een stukje op’, bromt hij. ‘Ik wil hier uit, ik kan geen kant op en volgens mij wordt het met de dag krapper.’

‘Hoezo eruit? Je weet toch dat het na de geboorte ophoudt? Denk jij nog steeds dat er meer is dan wat je nu ziet? Er is nog nooit iemand teruggekomen van na de geboorte. Dit is het hoor, dit is je leven en na de geboorte is het afgelopen!’

Het jongetje probeert zich om te draaien en geeft een paar flinke trappen tegen de rand. ‘Dit kan toch niet alles zijn, moet je me zien liggen, dit is echt niet handig.’ Hij laat zich terugzakken in zijn oude positie.

Het golven wordt erger en dan horen de baby’s een geluid dat helemaal om hen heen is. De wereld van de baby’s schokt op en neer in hetzelfde ritme als het geluid.

‘Dit vind ik helemaal te gek, ik word er helemaal vrolijk van.’ Het jongetje straalt. ‘Zie je nou wel dat er meer is dan wat wij kunnen zien. Dat geluid en dat licht komen niet uit deze wereld. Er moet meer zijn!  En waarom zouden we anders van die dingen aan ons lijf hebben? Hij kijkt naar zijn handen en voeten. Volgens mij kun je daar heel veel mee doen. Meer dan een beetje schoppen.’ Hij geeft nog een flinke trap tegen de zachte wand.

‘We kunnen niet leven na de geboorte, dan hebben we geen eten en ook geen lucht meer. Onze navelstreng haalt dat nooit, dus dat kan niet. Je kunt nou eenmaal niet alles verklaren.’

De jongen weet niets te zeggen en zwijgt even. ‘En toch’, begint hij, ‘toch geloof ik dat er meer is. Ik denk dat we na onze geboorte onze moeder zullen zien…’

‘Moeder!’ roept het meisje uit, ’hij gelooft in een moeder. Wat een onzin! Waar zou die nou moeten zijn. Hallo, zie je haar hier? Dat past toch nooit!’

‘Ik zie haar niet, maar ik merk wel dat ze er is. Ze is helemaal om ons heen. Volgens mij is zij dat geluid dat soms zo mooi zacht is en soms zo grappig. Soms streelt ze onze wereld.’

Hij draait zijn hoofdje om, zodat hij zijn zusje kan zien: ‘Ik snap er helemaal niets van, maar ik weet zeker dat onze geboorte niet het einde is, maar het begin van iets veel mooiers!’

Naar een Tjechische vertelling van Míla Rejlková

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *